Taizé–Cluny–Mâcon

Cluny

Abdij van Cluny

De Abdij van Cluny is een benedictijner klooster. De abdij was het middelpunt van een belangrijke hervormingsbeweging, de Orde van Cluny, die zich tussen 900 en 1200 over een groot deel van West-Europa verspreidde.

De abdij werd in 909 of 910 gesticht door Willem I van Aquitanië, hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon, bijgenaamd Willem de Vrome. Deze Willem vroeg de abt Berno (850-927) van het klooster van Baume, nabij Besançon, om advies bij de stichting van een kleine abdij, waar twaalf monniken in zouden treden. Dit werd de Abdij van Cluny. Uniek is dat Willem als stichter afzag van al zijn rechten, die hem volgens het toen populaire eigenkerkenwezen toevielen. Volgens de stichtingsoorkonde stond de abdij slechts onder de bescherming van de paus. Deze beperkte voogdij werd pas achteraf door de pausen aanvaard, maar hierdoor kon Cluny op een verregaande autonomie rekenen. De Romana libertas, Romeinse vrijheid, gaf het klooster een groot prestige.

Het was aan abt Odo van Cluny te danken dat de invloed van de abdij groeide. Odo legde de nadruk op de strikte naleving van de regel van Benedictus in de variant van Benedictus van Aniane. Er werd vooral nadruk gelegd op het eerste deel van die regel, Ora et labora en bijgevolg werd een strikte kloosterdiscipline opgebouwd. Daarnaast deed de orde aan liefdadigheid. Men hechtte er veel belang aan de dodencultus en leken konden er missen laten opdragen voor hun dierbare overledenen. Volgens de overlevering was het Odilo van Cluny, abt van Cluny, die in 998 besloot dat de overleden gelovigen herdacht moesten worden. Hij was daarmee de grondlegger van het kerkelijke feest van Allerzielen, dat echter pas in de 14e eeuw in de gehele Latijnse Kerk werd ingevoerd.

Tegelijkertijd ontwikkelde zich in dezelfde geest de romaanse bouwkunst, gekenmerkt door de tongewelven die een goede akoestiek boden voor de religieuze zang.

Het succes van Cluny is ook te danken aan de grote figuren die er als abt fungeerden: Berno van Cluny, Odo (10e eeuw), Majolus, Odilo (11e eeuw), Hugo en Petrus Venerabilis (12e eeuw). Onder het abbatiaat van Odo werden honderden kloosters onder Cluny gesteld. De abt van Cluny was de overste over allen, maar aan het hoofd van elk van de dochterkloosters werd een prior aangesteld.

De abdij verrijkte zich door de eerder genoemde dodencultus en door de reliekverering die Cluny tot een zeer geliefd doel voor pelgrimage maakte.

Cluny bouwde al snel een netwerk uit:

  • Nieuwe stichtingen ontstonden die meteen voogdijvrijheid genoten. Cluny functioneerde als de moederabdij. Vanaf 1024 werd hun immuniteit bovendien nog uitgebreid.
  • In de 12e eeuw resideerden er 300 monniken te Cluny.
  • Cluny stimuleerde de godsvredebeweging die erop gericht was in West-Europa een grotere veiligheid te bewerkstelligen. Deze eerste kerkelijke vredesbeweging stimuleerde niet alleen giften aan kerken en kloosters, maar ook de bedevaarten naar Santiago de Compostella en daarmee de opkomst van de romaanse kunst langs de pelgrimswegen. Tot in Spanje is daardoor de invloed van de architectuur van Cluny merkbaar.
    De abdij verwierf ook grote politieke macht.

Kloosterkerk van Cluny

Dankzij de toenemende welvaart van de abdij konden het klooster en de kloosterkerk steeds weer worden verfraaid en vergroot. Dit heeft ertoe geleid dat in Cluny achtereenvolgens drie kerken hebben gestaan die steeds moesten wijken voor hun opvolger. De laatste kerk was een zeer grootse kerk, een van de mooiste bouwwerken uit die tijd. het zou tot de bouw van de Sint-Pietersbasiliek de grootste kerk ter wereld zijn geweest. De abt die de beslissing tot deze zogenaamde fase III-bouw gaf, was Hugo van Semus, ook Hugo van Cluny genoemd.

Het schip van de kerk had aan beide zijden twee zijbeuken. Aan de kruising was het koor verbonden met een kooromgang, waarbij om de kooromgang vijf kapellen waren gebouwd. Boven op de kerk waren acht torens gebouwd. De hele kerk was rijkelijk versierd.

Opheffing en verval

Het klooster werd in 1790 opgeheven, waarna de kerk van Cluny grotendeels werd vernietigd tijdens de Franse Revolutie. Tegenwoordig is alleen nog een deel van het transept met twee torens over.

Het klooster, dat werd gezien als een voorbeeld van het ancien régime, werd samen met het grootste deel van de kerk verwoest tijdens de Franse Revolutie. De grote bibliotheek en het archief gingen in 1793 in vlammen op en de kerk werd geplunderd. Het landgoed van de abdij werd in 1798 voor 2.140.000 frank verkocht. In de jaren erna werden de enorme muren van de abdij afgebroken en de steen werd gebruikt voor de wederopbouw van de stad. De huidige overblijfselen van het klooster zijn ongeveer 10% van het totale oppervlak van de derde abdij. Overblijfselen van pilaren van de verwoeste kerk geven de omvang van het voormalige gebouw aan.

Sinds 1901 is in het voormalige klooster een onderdeel van de École nationale supérieure d’Arts et Métiers (ENSAM), gevestigd.

Bronnen : https://nl.wikipedia.org
https://www.zininfrankrijk.nl
Photo : Benjamin Smith 

Mâcon

Église Saint-Pierre

De Église Saint-Pierre is de derde kerk gewijd aan Sint-Pieter in Macôn. De eerste stond in de nabijheid van de oude kathedraal (nu ruïne), gewijd aan Vincentius van Zaragoza. Een tweede Sint-Pieterskerk werd gebouwd in de negentiende eeuw en behoorde toe aan de cordeliers, zoals de franciscanen in Frankrijk werden genoemd. In 1865 werd de huidige kerk gewijd, waardoor de franciscanen hun eigen kerk niet langer hoefden te delen. Op de tympanen boven de ingang worden het laatste oordeel, de Hemelvaart en de kruisiging van Sint-Pieter uitgebeeld.

De kerk, die deel uitmaakt van de parochie Saint-Etienne, is de grootste kerk van de stad. Hij is ruim 75 meter lang, 30 meter breed en de torens zijn 53,5 meter hoog. Het gewelf heeft een hoogte van 18,5 meter.

Bron : https://nl.wikipedia.org
Photo : Chabe01